D. Bidgezang, in tyden van pest en doodelyke krankheden. CXXIX Lied Voize Lied LXVIII.
1 Rechtvaardig God, wy klagen U, Dat onze booze daden De rednen zyn, waar- om wy nu Met straffen zyn beladen, Waarom het pestvuur hevig brand', En wy helaas! aan allen kant Dien fellen gloed gevoelen. 2 Uw wraakvuur woed op ons al voort, En
blyft ons steets verteeren, Wyl wy noch wygren naar Uw Woord Oprecht ons te bekeeren: Wy hadden lang geen lust daar aan, En daarom zien w' ons nu versmaân Van hun, die ons aanschouwen. 3 Men hoord in meenig huis geween: De lucht weerbaawt van klagen: Men draagt by hoopen lyken heen, Als waren zy, ver- slagen: De pest, dat doodlyk gift, o schrik! Treft veelen in een oogenblik; Geneeskunst
staat verlegen. 4 Wy komen dus tot U, o Heer! w'Er- kennen onze zonden: Wy vallen aan Uw voeten neêr, O Arts! heel onze wonden: Weer Gy de plagen van ons af: Geef ons genaê; o God bestraf Bestraf den slaanden Engel. 5 Dat ons Uw Gunst o Heer! behoed': Laat ons voor U noch leven: Zyt Gy ons deel, ons eenig goed, Wil ons ge-
zondheid geven: Lief ons, als d'appel van Uw oog, Dat ons Uw heil verzellen moog, Op dat wy zeker blyven. 6 Beveel Uw Englen, dat z' ons voort Op hunne handen dragen: Zoo wandlen wy hier ongestoord: Zoo zyn wy vry van plagen. Bewaar ons voor gevaar en nood: Hoed ons voor een zoo snellen dood, Ons die op U vertrouwen. 7 Doch is het, Heer! Uw vrye wil, Dat
wy van d'aarde scheiden: Geef dan, dat wy gelaten stil Ons tot dien stap bereiden, En heengaan met verheugden zin: Het ster- ven is ons toch gewin, Ons die Uw heil verwagten. 8 Hem, die den Heiland, aan het hout Op Golgotha geslagen, Met een geloovig oog beschouwt, Zal het vergiftig knagen Der schuifelende slang niet schaân, Wyl God zyn schuld heeft uitgedaan; Hy leeft, al
moet Hy sterven. 9 't Is ver het best, om vroeg en spaê In 's Heeren hand te vallen; Hy is bereid, om Zyn genaê Te schenken aan ons allen. Maar wee hem! die in 's menschen hand Zich stelt, hy vind geen onderstand: Hy vind 'er geen ontferming. 10 Nu Vader! doe, zoo 't U behaagt, Wy willen 't overgeven: Die 't al toch aan U overdraagt, Hoeft in geen zorg te
leven. Een kleine musch is weinig waard, En nochtans valt die niet op aard, Zoo Gy 't niet wildt gehengen. 11 Gy hebt ons hoofdhair zelfs getelt; Wie zou U niet vereeren? Al wat Uw Raad heeft vastgesteld, Moet ons ten bes- ten keeren. Gy zult Uw kindren, klein of groot, Hun leven lang, tot in den dood, Het best' en zaligst' schenken. 12 Sta hen o Heer! genadig by, Die reets
door smert versmachten: Dat 't waar ge- loov toch by hen zy: Laat hen dan lyd- zaam wagten Op U genaê, die hen ge- wis Verlossen zal van droefenis: Wat hen dan ook moog drukken. 13 God Vader, Zoon, en Heil'ge Geest, Die Gy van allen tyden Een sterkt' en toe- vlucht zyt geweest, In 't allerbitterst lyden, Help ons ook, uit barmhartigheid, Op dat Uw lof hier zy verbreid, Voor all Uw Gunstbewyzen.
Cookies on Poetry Cove