Skip to content
1766

CL geestlyke gezangen

Abdias Velingius

Nodiging door Gods Woord. LXXII Lied. Voize Psalm XLII.

1 God, wiens schepter kroon en woning Is vol glans en majesteit, G' hebt Uw Zoon,

tot een betooning Uwer liefd, een feest bereid. Myn verplichting kent geen paal, Wyl Gy tot dit liefdemaal, Uit de heg- gen, van de straaten, My hebt willen roe- pen laten. 2 Heer, wie ben ik, en daar tegen Wie zyt Gy, zoo groot van pracht? Ik een wormpjen steeds verlegen, Gy een Koning, groot van magt. Ik ben stoff en assch en flyk, Gy de Heer van 't Hemelryk: Ik snell

heen, met rasse schreden, Gy blyft tot in eeuwigheden. 3 Ik ben onrein, gansch verdorven, Gy zyt enk'le Heiligheid: Ik verduistert en verstorven, Gy een Licht dat glanssen spreit: Ik een schamel beedelkind, Lam en kreupel, doof en blind: Gy het hoogstvolzalig Wezen, Gansch volkomen, nooit volprezen. 4 Nochtans laat Gy, Heer! my vragen

Tot dit heerlyk Bruiloftsmaal. O Genadig wel- behagen! Ik zal, in des Hemels Zaal, Sa- men met dat Godlyk Lam, Dat myn ziel voor Bruigom nam, Met het Choor der heilig' Eng'len, Myne vreugde toonen menglen. 5 Wie nu dorst heeft, kan zich laaven, Uit die bron van zaligheid. Die nu hon- gert, vindt hier gaaven, Spys voor zyne ziel bereid. Zoete maaltyd, zalig'oord

Daar Gy, Heer, Uw hart en woord Wil den Bruiloftsgasten geven, Tot een voed- zel voor hun leven. 6 O Gy Groote God en Koning, Die daar roept: kom herwaards aan, 'k Ben onwaar- dig de betooning Uwer trouw', aan my gedaan. Ach! hoe kan ik immermeer Voor Uw groote gunst zoo zeer, Als ik wil en moet, U loven! Ach! dit gaat myn kracht te booven!

7 Wil my tot Uw maaltyd trekken: Hef myn Geest uit stof en slyk. Laat die stem myn ziele wekken, Die nu roept zoo min- nelyk: Kom o mensch! ai haast U, koom Tot die levensbron en stroom: Neem het brood, dat U het leven Kan voor Uwe zielen geven. 8 Laat toch in myn ooren dalen Heer! Uw stem, die 't harte roert: Die tot Uwe vreugde zalen O Jeruzalem! my voert.

Laat my, door genaê bevryd, Door den doop U toegewyd, Met de zwynen niet meer leven, Noch my tot den draf begeven. 9 Nooit trek my het aardsch gewemel, Dat als zwarte damp verdryft, Van die maaltyd in den Hemel, Die in eeuwighe den blyft. Maak, o Jesus my gereed: Laat een zuiver Bruiloftskleed My op aarde reets verçieren, Tot ik 't eeuwig feest zal vieren.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
CL geestlyke gezangen · Abdias Velingius · Poetry Cove