CXXXVIII Lied. Voize Lied CXXXII.
1 'k Zal U hartlyk dank betalen, Wyl Gy, Heer! my hebt behoed, Dat geen ziels, of lichaams kwalen, Kommer, angst, of tegenspoed My, in deezen ganschen dag, Oorzaak gaven tot geklag. 2 Ach! wen 'k eens ga overwegen, Wat ik heden heb bestaan, En ik reken eens daar tegen, Wat de Heer my heeft gedaan,
Met wat liefd', en teederheid Zyne Gunst my heeft geleid? 3 Dan kan 'k U naar eisch niet pryzen O myn God! myn burgt en Rots! Welk een dank zal 'k U bewyzen, Dat Gy van des duivels trots, En uit 's waerelds listig net, Hebt myn lyf en Ziel gered? 4 Dat my noch zyn by gebleven Myn ge- heugen en verstand; Dat ik fris my mogt begeven Tot het werk van myne hand
Dat ik nog myn oor en oog, Ongekrenkt gebruiken moog. 5 Dat Gy my en all de mynen Hebt naar lyf en Ziel gevoed, My woud met Uw Gunst beschynen! O wat is 't een heerlyk goed, Dat Gy Uwe trouw, o Heer! My betoond hebt meer en meer? 6 Uwe liefde, nooitte peilen, Schonk m' o Jesus! al dat goed; Dat Uw Geest my hoed' voor feilen; Zyne kracht bestuur myn
voet, Tot 'k aan 't einde myner paân, Mag ten Hemel binnen gaan. 7 Zal ik dan noch langer leven Naar Uw vastgestelden Raad? Laat ik steeds aan U toch kleven, Onafscheidbaar vroeg en spaâd: Leev' ik dan, zoo zyt Gy myn; Sterv' ik, 'k zal dan d'Uwe zyn. 8 Wil m' o Heer! in tusschen schenken Uwe liefd', in deezen nacht; Wil myn Zonden niet gedenken: Breek des vyands
boozen magt: Dat hy my niet schad' of stoor, Wyl ik U toch toebehôor. 9 Ach! laat toch Uw Engel waken, Heer! ter myner veiligheid: Laat m', in 't midden myner zaken, Tot het sterven zyn bereid: Zoo slaap ik, van zorg bevryd, Tot my 't morgen licht verblyd'.
Cookies on Poetry Cove