XXXVII Lied: Voize Lied CXXXII.
1 Kom ô Geest, Gy bron van leven, Waare God van eeuwigheid, Wil ons U-
wen invloed geven: Ons zy steeds Uw gunst bereid; Zoo zal Geest, ja glans en schyn, In ons hart geboren zyn. 2 Geef in onze Ziel en Zinnen Wysheid eerbied raad en licht, Dat wy anders niets beginnen, Dan wat naar Uw wil zich richt: Geef dat wy U kennen meer, En de dwaling van ons weer. 3 Wil ons Uwe waarheid leeren: Houd ons op de rechte baan: Wil het booze van ons
weeren: Laat oprechtheid met ons gaan: Waar berouw treê weder voor, Als wy dwalen van het spoor. 4 Doe gevoelen onze harten, Dat wy 's Heeren Kind'ren zyn, Die, in 't woelen van de smarten, By Hem zoeken medicyn; Want des Vaders liefde roê Brengt ons niets dan welzyn toe. 5 Trek ons dat wy tot Hem treden Met een vry en bly gemoed: Bid in ons, aan
onze beden Geev' uw' leiding klem en gloed: Dan word ons gebed verhoord, En 't ver- trouwen aangespoord. 6 Wort ons hart om troost zoo bange Dat het dikwerf roepen moet, Ach myn God, myn God, hoe lange? Maak' by d'uit- komst, haast en spoed. Spreek de Ziel dan troostlyk aan, Dat zy moedig blyve staan. 7 Gy, ô Geest! Die ons kunt sterken, En altoos Dezelve zyt, Sterk Gy, 't
geen G' in ons woudt werken, Als de Satan ons bestryd Schenk ons Wapens in 't ge- vegt; Zége blyv' ons toegezegt! 8 Laat ons steeds wel vast gelooven Dat geen duivel, dood, noch spot Ons die Hemelgaaf kan rooven, Zyt Gy ons ten schild en God: Wil het vleesch ons te- gengaan, Laat Uw Woord te vaster staan. 9 En, als wy eens zullen sterven, Zoo ver- zeker ons, ô Heer! Dat wy eeuwig zullen er-
ven 's Hemels heerlykheid en eer Die ons God heeft toegezeid En geen tonge recht verbreidt.
Cookies on Poetry Cove