Skip to content
1766

CL geestlyke gezangen

Abdias Velingius

Van de Instellinge des Heiligen Avondmaals. XLVII Lied. Voize Psalm XCI.

1 Toen Jesus lyden wou den dood, Voor onze gruweldaden; En Judas Hem, om 't geld, zoo snood En schandlyk dorst

verraden: Heeft Hy met Zyner Jongren schaar, Eenparig aangezeten, Denzelven nacht in 't openbaar Het Pascha noch ge- geten. 2 En sprak, ik heb begeert heel zeer Dit Pascha met U t' eten, Want 'k zal voortaan 't niet eten meêr, Tot dat ik ben gezeten Op mynen Troon, in 't eeuwig Ryk, Dat 's Vaders gunst zal geven Aan my, en hen, die, my gelyk, In zyne liefde

leven. 3 Hy nam het brood en dankte God, Zoo dat zyn Jongren 't hoorden: Hy brak 't en gaf 't hen daar hy tot Hen sprak met deeze woorden: Dit is myn Lichaam, dat ras zal Door lyden zyn gebroken: Op dat Eerst- vader Adams val Nooit worde aan U ge- wroken. 4 Hy nam den beker in de hand, Hy dankte, gaf zyn gasten Ook van dit teeken

't recht verstand Met woorden die hier pasten, En sprak drinkt alle dat 's myn bloed, Dat voor U nêer moet stroomen, Zult ge in den onderaardschen gloed Niet eewig ommekomen. 5 Dat bloed, 't welk in het oud verbond, By 't offren werd vergoten, Bracht geen geneezing voor Uw wond: Daarom heeft God besloten, Dat ik met U het Nieuw verbond Zou sluiten, door 't vergieten

Van dit myn bloed, en G', op dien Grond, Zoudt wis Gods heil genieten. 6 Gebruikt dan vaak dit brood en wyn, Op dat Gy moogt gedenken, Hoe ik, door d'allerzwaarste pyn, U spys en drank wou schenken: Denkt, had ik niet den dood gesmaakt, Dat Gy had moeten ster- ven; Gelyk dien wis de dood genaakt, Die spys en drank moet derven. 7 Zoo dikwils Gy dan van dit brood Zult

in het Nachtmaal eten, Moet gy gedenken aan myn dood, En nimmer dien vergeten. Gy moet dan maken openbaar Myn ster- ven en myn lyden, En hoe ik d' uitver- kore schaar Wil van den dood bevryden. 8 Myn bloed laaft dien, die nederzinkt. Myn vleesch zal hem versterken: Zoo hy maar Geestlyk eet en drinkt, En met zyn Ziel ga werken: Die recht gelooft, dat 'k in den dood My heb voor hem gegeven,

Is vry van dorst en hongersnood, En heeft het eeuwig leven. 9 Ik blyv in hem, hy blyft in my: Myn Geest zal ik hem geven, Zoo dat hy God gehoorzaam zy, En naar zyn wet wil leven: 'k Heb hem als lid en eigendom Voor eeuwig aangenomen, Met myn genaâ vat ik hem om, Als ik zal wederko- men. 10 O Jesus! Gods geliefde Zoon! Laat

ons dien troost niet derven; Zoo zullen wy voor Uwen Troon De vryspraak zeker er- ven. En schoon de waereld ons verdoemt, Dit geev' ons geene zorgen; Wyl ons ge- loov in 't heilgoed roemt, Dat G' ons niet hebt verborgen. 11 Heer, dat Uw Woord waarachtig zy, Gelooven wy van harten. Doet ons naar onzen plicht steeds bly Gedenken Uwer smarten. Laat ons, met liefde, langs de baan

Van Uw geboden wand'len, En zoo als Gy ons hebt gedaan Met onzen naasten hand'len.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
CL geestlyke gezangen · Abdias Velingius · Poetry Cove