Bidlied om Hemelsche Verlichtinge.
LXXIV Lied.
Voize Psalm XXXVIII.
1 Heer Gy zyt myn Zon, wier straalen
In my dalen: Gy verlicht my door Uw
gloed: Niets dan smert en duisterniste
Heeft 't gewisse, Als 't Uw gunst ontbee-
ren moet.
2 Laat Uw glans de donkre vlaagen Hee-
nen jagen: Ja verdryf den duistren nacht.
Laat my licht en liefde vonken Zyn ge-
schonken, Dan myn hart blygeestig lacht.
3 Zon, wier altyd heldre luister Nooit in
't duister Schuilde, schenk my steeds Uw
gloed: Doe Uw lieve, minne straalen Op my
dalen, Dat 'k U kennen kan en moet.
4 Doe Gy zelfs myn ingewanden Heer ont-
branden Door oprechte hemelmin! Laat
Uw kracht myn ziele wekken En my trek-
ken, Dat ik dankbaar U bezin.
5 Wil der reine levens sappen, Eigenschap-
pen Storten in myn ziele nêer: 'k Zal dan
naar uw welbehagen My gedragen En u
lieven, Hemelheer.
6 Denk niet meer aan myne zonden; Maak
m' ontbonden Van die drift die in my woedt:
Laat uw eindeloos erbarmen My omar-
men, Om des Heilands dierbaar bloed:
7 Dat ik van de rechte paalen Nooit moog
dwalen. Leef en werk, o Heer! in my.
Niets zy by my hier op aarde Groot van
waarde, Dan dat ik U eigen zy!