Skip to content
1766

CL geestlyke gezangen

Abdias Velingius

Bidlied om Hemelsche Verlichtinge. LXXIV Lied. Voize Psalm XXXVIII.

1 Heer Gy zyt myn Zon, wier straalen In my dalen: Gy verlicht my door Uw gloed: Niets dan smert en duisterniste Heeft 't gewisse, Als 't Uw gunst ontbee- ren moet. 2 Laat Uw glans de donkre vlaagen Hee- nen jagen: Ja verdryf den duistren nacht.

Laat my licht en liefde vonken Zyn ge- schonken, Dan myn hart blygeestig lacht. 3 Zon, wier altyd heldre luister Nooit in 't duister Schuilde, schenk my steeds Uw gloed: Doe Uw lieve, minne straalen Op my dalen, Dat 'k U kennen kan en moet. 4 Doe Gy zelfs myn ingewanden Heer ont- branden Door oprechte hemelmin! Laat Uw kracht myn ziele wekken En my trek- ken, Dat ik dankbaar U bezin.

5 Wil der reine levens sappen, Eigenschap- pen Storten in myn ziele nêer: 'k Zal dan naar uw welbehagen My gedragen En u lieven, Hemelheer. 6 Denk niet meer aan myne zonden; Maak m' ontbonden Van die drift die in my woedt: Laat uw eindeloos erbarmen My omar- men, Om des Heilands dierbaar bloed: 7 Dat ik van de rechte paalen Nooit moog dwalen. Leef en werk, o Heer! in my.

Niets zy by my hier op aarde Groot van waarde, Dan dat ik U eigen zy!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
CL geestlyke gezangen · Abdias Velingius · Poetry Cove