Skip to content
1766

CL geestlyke gezangen

Abdias Velingius

F. Van de Rechtvaardigmakinge des Zondaars door het geloove, en van den oorsprong, kracht en vruchten des waaren geloovs. LXXXIII Lied.

1 Genadig wilde Gy, o Heer! Ons 't heilgoed mededeelen, Wyl eigen werken nimmermeer De schade konden heelen: 'T Geloov neemt Jesus Christus aan: Die heeft voor onze schuld voldaan: Hy is de Borg geworden. 2 Door ons was, 't geen Gods wet gebood,

Geheel en al verbroken: Wy raakten dus in grooten nood: Gods Gramschap was ont- stoken. Gekluisterd was door 't vleesch de Geest, Schoon God dien vordert aller- meest: Wy waren gansch verloren! 3 Men streelde zich met ydlen waan, Als waar Gods wet gegeven, Om dat wy kon- den, welberâan, Volkomen daar naar le- ven. Daar z' ons slegts tot een spiegel strekt,

Die ons den eigen aard ondekt, In 't zon- dig vleesch verborgen. 4 Het was niet mooglyk om dit kwaad Door eigen kracht te laten; Al zocht men dikwerf daar toe raad: De schuld groeid' uittermaten, En nam een Oorzaak aan 't gebod; Dus was voor eeuwig wis myn lot De dood, wyl 'k zonden diende. 5 De wet moest echter zyn vervuld, Of 't

heil werd nooit verworven: Gods Zoon is dus voor all' de schuld, Van al zyn volk gestorven. En heeft vervuld den Eisch der wet, En 's Vaders gramschap neergezet, Die 't gansche menschdom dreigde. 6 En wyl de wet dus is voldaan Door Hem, die haar kon houden, Zoo is ook 't onge- veinst bestaan, Van die ooit recht betrouw- den. Z' erkennen, dat die Borg en Heer

Hun door zyn dood, gaf 't leven weêr, Dat Hy voor Hun betaalde. 7 Geen zondig twyflen blyft my by: Uw woord kan niet bedriegen: Gy wilt, dat 'er geen wanhoop zy; Dit kunt Gy nim- mer liegen. Dus spreekt Gy, al die word gedoopt, En door 't geloove tot my loopt, Zal eeuwig zalig worden. 8 Rechtvaardig is voor God alleen, Dien

dit geloov mag sterken: En 't schiet dan schynzel om zich heen, Als 't vruchtbaar is in werken. 'T Geloov is wel aan God gewyd, Doch, zoo G' uit God geboren zyt, Moet G' ook Uw naasten lieven. 9 De schuld word door de wet ondekt En slaat 't gewisse neder; Daar 't Euangelie troost verwekt, En sterkt den zondaar we- der. Het spreekt, loop Gy naar Jesus heen!

De wet stelt niemands ziel te vreen, Met al haar doen en werken. 10 Het werk dat voor den Heer bestaat, Spruit uit oprecht gelooven. Doch hy ge- loovt niet met der daad, Die 't werk zoekt weg te rooven. 'T Geloov rechtvaar- digt wel alleen; Doch uit de werken blykt met een Dat wy oprecht gelooven. 11 'T Geloov omhelst des Heilands bloed,

Verdiensten, kruis en sterven, Waar door de zonden zyn geboet: Wy kunnen niets verwerven; Want schoon de ziel iets deugd- zaams deed, Die heiligheid is, als een kleed, Met vlekken gansch bezoedelt. 12 Maar heeft men, door 't geloov, van God Gerechtigheid verkregen, Men moet dan goed doen, naar 't gebod, En gaan op rechte wegen; Wyl hy, die 't kwaad met

lust bedryft, In 't waar geloove geensints blyft, Maar 't met der daad verlochent. 13 Die deel verkreeg aan Gods Genaâ, Moet Hem steets voor zich stellen, Hem bidden: Heer! ai by my sta! En zynen Roem vertellen. Dat men in 's Heeren vreeze leev', En 's vleesches lusten wederstreev', Dat is de weg ten leven. 14 Doch die gerust daar heenen gaat, En

naar zyn lusten handelt, Ja doet, al wat zyn vleesch hem raad, En dus in zonden wandelt, Den Heer niet bid, dat Hy hem leer, En door Zyn Woord en Geest re- geer, Die loopt den weg ter helle. 15 Doch die geloovt, bewaart met vreez' Het pand aan hem gegeven, De Waereld schuuwt hy, dood zyn vleesch, En tracht naar 't Eeuwig leven: Hy dus 't geloov

door deugt bewyst, Zyn naasten lieft, den Schepper pryst, Wat hem ook moog ge- beuren. 16 De Hoop verbeid den rechten tyd, Dat zy zal zegepraalen, En worden, naar Gods Woord, verblyd: Zy zet den Heer geen paalen: Hy weet, wanneer het nut- tigst zy; Hy is geheel van valsheid vry: Wy kunnen 't Hem vertrouwen.

17 En schynt het eens, als wild' Hy niet, 't Moet U geen schrik verwekken; De- wyl Hy vaak zyn bystand bied, Schoon Hy 't niet wil ondekken: En daar Zyn Woord verzeekring geeft, Moet Gy hoe- wel Uw hart weerstreeft, Nooit zyn met schrik bevangen. 18 Uw Naam zy overal gevreesd, Uw Goedheid zy geprezen, God Vader, Zoon

en Heilge Geest, Wil ons genadig wezen: Bewaar het werk, in ons bereid, Tot roem van Uwe Majesteit: Uw Naam zy steets geheiligt! 19 Uw Ryk toch koom, Uw wil geschied! Om hoog en hier beneden: Uw Hand ons daaglyks brood ons bied': Vergeef dat wy misdeden, Gelyk wy doen den schuldenaar: Leid ons niet in verzoeking,

maar Red van den Satan, amen!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
CL geestlyke gezangen · Abdias Velingius · Poetry Cove