Opdragt. Wys: Jusque dans la moindre Chose:
Aan wien wyde wy deez' Liedjes? Aan een ryk aanzienlyk man, Die haar voor de slangebeeten. Van de Nyd bevryden kan? Plaatzen wy een aadlyk wapen, Voor den Opdragt, (dien ik meen Deezen avond af te schryven Word ik niet verhinderd,) neen!
Laat de nijd zich vrij vermaken Met dit Economisch stuk: Laat zy 't van elkander scheuren; 'k Wensch haar daar meê veel geluk. Zou ik haar niet zo veel gunnen? – Zy die onzen roem verbreidt? Elk heeft zyn byzonder dryven; 't Lastren is haar' zaligheid.
Zo wy echter deeze Bladen Iemand wydden, dan verkoo Ik u, heilge menschenliefde: Ja, wy treden in uw spoor! Gy doet onze zielen gloeyen, Geeft de pen in onze hand; Gy doet onze harten kloppen Voor ons dierbaar Vaderland!
Vaderland! wat geestvervoering Grypt my aan, als ik u noem? 'k Leef voor u! 'k leef voor de Vryheid. Kan ik ooit uw leed en roem Zonder tranen overdenken! Tranen van het hart gevloeit, Die de Koelheid nimmer weende, Vast aan de Eigenbaat geboeit.
'k Durf dit geenszints ondernemen. Menschenliefde, slaatge alleen Gunstige oogen op deez' Vaerzen, Eers genoeg; wy zyn te vreên. Zucht voor de ongetelde Leden Van den nutten Burgerstaat, Deedt ons, 't geen wy schreven, schikken, Op verscheiden toon en maat.
Wy bedoelen yders welzyn; Dit is overtuigend klaar: Naauwgezetheid, durft gy twyffien? Ei wees billyk! lees het maar. Ja, wy strooyen roozenbladen Op den weg der waare deugd; Wy bewyzen aan het Menschdom: ‘Deugd alleen geeft zuivre vreugd.
Dat me in alle levensstanden Zeer gelukkig leeven kan, In zyn jeugd en grys van jaaren; Dat de Boer, en de Ambagtsman, Dat de brave Vrouw, en Moeder, Dat de Jongling, dat het Kind, Zo zy elk hun pligt betragten, Overal 't genoegen vindt.
Dat de Godsdienst van den Christen Werkzaam is; en zulk een schat Voor ons, die hem hoog waardeeren, Als men naauwlyks ooit bevat. Dat hy ons in zwaare rampen, In gebrek, in ziekte, in pyn, Als ons alles heeft verlaten, Dan nog leert gelukkig zyn.
Dat men, om Gods gunst te winnen Zo in voor- als tegenspoed, Zich pligtschuldig moet gedragen, Met gelatenheid en moed; Dat wy ons geluk verwoesten, Schoon geplaatst in 't wenschlykst lot, Als wy 't ongenoegen dragen Van een goedertieren God’!
Geen afschuuwlyke Tooneelen Daar natuur om beeft, en zucht, Die de onnozelheid verstommen; Geen vergiftigende klugt Geven wy u ter beschouwing. Alles ademt orde, rust, Liefde, huislyk vergenoegen; Alles weert verboden lust.
Zingt nu, waarde en nutte leden Van de groote Maatschappy! Zingt met liefelyke stemmen: ‘Hy die dankbaar is, is bly’. Gaat niet zuchtend door dit leven; Waant niet dat zwaarmoedigheid Godsdienst is, neen landgenooten, Mydt de strikken die ze u spreidt:
Dient den God van liefde en blydschap Met een opgeruimt gemoed. Zegt, door uw behaaglyk zingen: ‘o Wat is myn schepper goed!’ Denkt nooit: ‘God heeft my vergeten; Voor my is geen heil, geen vreugd.’ Neen, Hy waakt voor uw belangen, Zo gy vasthoudt aan de deugd.
Hebt gy aanzien, roem, noch rykdom? Leeft ge in een' vergeten staat? ô, Wilt daarom niet besluiten Dat God u niet gaadeslaat! Zyt ge op deez' beneden waereld, In een lagen rang gestelt? Zal dat uw geluk dan hindren Zo Gods gunst u vergezelt?
Welk een rei van zaligheden, ('k Heb die voor u afgebeeld,) Heeft het Goedertieren wezen U op aarde óók toegedeelt; Leert, myn Vrienden, beter denken; Zoekt het waare; vliedt den schyn: En, waar gy u moogt bevinden, Gy zult steeds gelukkig zyn.
Cookies on Poetry Cove